Die begrippen uit het kolonialisme zien we ook terugkomen in de manier waarop de antropologie
naar het kolonialisme kijkt. Er zijn 3 manieren waarop de antropologie voornamelijk naar het
kolonialisme kijkt:
1) Kolonialisme als het universele en evolutionaire proces van modernisatie
2) Kolonialisme als een bepaalde strategie of experiment van dominantie en uitbuiting
3) Kolonialisme als een onopgeloste zaak van strijd en onderhandeling
Dat betekent dat er vanuit de antropologie met een koloniale bril naar het kolonialisme wordt
gekeken. Als we bovenstaande methodieken en ideeën van moderniteit, die ontstonden in koloniale
omstandigheden, in een academische vorm gieten, bekomen we de antropologie. Modernisatie als
uitgangspunt zien we nog terugkomen in de antropologie. Rond 1970 moedigden antropologen
elkaar vaak aan om ‘inheemse’ volken te steunen in het bereiken van moderniteit. Ze raadden aan
om niet mee te werken aan neokoloniale strategieën, want die belemmerden de moderniteit. Dit
voorbeeld toont aan dat antropologen moderniteit vaak als uitgangspunt gebruikten. Ondanks dat ze
niet willen meewerken aan neokoloniale strategieën, vertrekken ze wel vanuit een koloniaal
uitgangspunt. Ook opteerden klassieke antropologen voor een holistische benadering, om de
kolonisatoren op dezelfde manier te bestuderen als de gekoloniseerden. Toch bleef de nadruk op de
verandering van het ‘inheemse volk’, en dat bewijst dat het veldwerkonderzoek nog steeds
voornamelijk diende als instrument voor de koloniale plannen van de regering. (Pels, 1997, p. 164-
165)
Methodologie
“De antropologie stamt af van observatie- en controletechnieken die voortkwamen uit de koloniale
dialectiek en westerse gouvernementaliteit.” (Pels, 1997, p. 164) De studie van het kolonialisme
heeft dus ook betrekking tot de methodologie van de antropologie. Het zijn voornamelijk historici en
literaire theoretici die zich verdiepen in de geschiedenis en politieke taken van de methodologie.
Etnografie dient in theorie een intellectueel doel, maar in de werkelijkheid is dit ook een verspreiding
van een koloniale gedachtegang. Etnografie is namelijk een koloniale wetenschap, die als doel heeft
om het ‘exotische’ te observeren. Etnografie bestond alvorens het bestaan van de grenzen van de
antropologie, en dat heeft nog steeds een invloed op deze discipline. Het is algemeen geweten dat
dat etnografieën langs 2 kanten worden beïnvloed, de etnografie wordt gevormd door de ideeën en
vooroordelen van zowel de etnograaf als die van de informanten. Dat wil zeggen dat etnografieën
een verhaal van twee culturen zijn, die van de veldwerker en die van de ander (Van Beek et al., 1991,
p. 139). Etnografen kregen vaak de opdracht van de overheid om kennis te halen uit de
gekoloniseerde landen, die dan gebruikt werd in nationale musea. Een etnograaf die zijn opdracht
uitvoert voor zijn thuisland, een kolonisator, geeft zijn etnografie dus ook een koloniale kleur.
Deze westerse invloed op de etnografie zie je duidelijk terugkomen als je het thema naaktheid in
Afrika bekijkt. Er werd vooral naar naakte, jonge en mooie vrouwen met strakke buik en stevige
borsten gekeken. Ze lachen op de foto’s maar de beelden tonen ook de verlegenheid en
onderdanigheid van deze vrouwen. Deze beelden scheppen geen realistisch beeld van Afrika, in
Afrika leven ook oude vrouwen, mannen en kinderen. De fotografen leggen dus datgene vast dat al
paste binnen hun beeld van Afrika, hun achtergrond toont zich dus in de beelden die zij verspreiden.
Fysische antropologen publiceerden ook veel naakte beelden, uit zogenaamde wetenschappelijke
interesse. Uit hun beelden trokken ze conclusies: hoe donkerder de huid, hoe dichter bij de primaat
en hoe minder cultuur. Er werd geredeneerd dat onze cultuur de wildheid wegneemt, wat het
verspreiden van onze cultuur en de beschavingsopdracht goed praat. Dit verklapt hoe de Europese
beschavingsopdracht ook een invloed had op de antropologen. Ze vertrokken vanuit de Europese